NL – « Ons programma voor 2019 »


Prélude à l’Après-midi d’un Faune van Claude Debussy
Claude Debussy, zoveel is duidelijk, is een enigma. Zoals de Franse dirigent-componist Pierre Boulez over zijn landgenoot zei: ‘Debussy volgde de traditie niet: de traditie volgde hem.’ Debussy verving de bouwmaterialen van de Franse muziek door sensuele ritmes en onthechte harmoniën. Zoals de impressionisten mist sproeiden over hun schilderijen, zo verving Debussy de romantische bombast van zijn tijd door unieke klanken en nevelige melodiën. Toenmalige musici, dirigenten en critici kregen zijn raadselachtige klankpuzzels niet gelegd. Nu is zijn unieke oeuvre een hoeksteen van het moderne concertrepertoire. Als student nam Debussy geen genoegen met succes binnen de conservatieve lijntjes: ‘ik ben te verliefd op mijn vrijheid, mijn eigen ideën te genegen!’ Hij raakte verslingerd aan de vernieuwende harmoniën van Wagner en werd op de wereldexpo van 1889 betoverd door Indonesische gamelanmuziek. Van dichters als Mallarmé en Maeterlinck leerde hij hoe realisme kon ombuigen tot verbeelding. Beide schrijvers inspireerden hem tot zijn doorbraakwerken Prélude à l’après-midi d’un faune en Pelléas et Mélisande. Met zijn even rijkgeschakeerde als verfijnde oeuvre opende Debussy de baan naar het modernisme.

Alyssia Hondekijn, solist

Danses sacrée et profane van Claude Debussy

Debussy componeerde zijn ‘Danses sacrée et profane’ voor harp en strijkers op vraag van instrumentenfabrikant Pleyel om de mogelijkheden van de nieuwe chromatische harp in de verf te zetten. De harp is een van de oudste instrumenten. De bouw ervan bleef in essentie onveranderd gedurende eeuwen. In 1810 introduceerde de Parijse instrumentenbouwer Sébastien Érard de pedaalharp, waarbij de 7 pedalen instonden voor de alteraties, verhogingen en verlagingen met een halve toon, en waardoor het mogelijk werd om in alle toonaarden te spelen zonder te moeten verstemmen. Tegen het einde van de 19de eeuw bracht de concurrerende bouwer Ignace Pleyel een chromatische harp op de markt, zonder pedalen, waarbij aan elke chromatische toon een snaar werd toegekend. Dit type harp werd nooit een groot succes, onder andere omwille van de onhandige proporties en de aanzienlijke tijd die nodig was om het instrument telkens opnieuw te stemmen. In 1904 werd er in het Brusselse conservatorium een cursus ingericht voor dit nieuwe instrument. De firma benaderde Debussy met de vraag om een examenstuk te componeren speciaal voor het instrument, en dat werd de ‘Danse sacrée et Danse profane’. Beide dansen worden gekenmerkt door kortademige melodische frasen, transparante texturen, verschuivende harmonieën, modaliteit en zwoele dissonanten. In de textuur speelt Debussy met de opponerende tinten van getokkelde en gestreken tonen.

Pavane pour une infante défunte van Maurice Ravel
De titel betekent letterlijk: Pavane voor een overleden prinses. Volgens muziekgeleerden betreft het hier een klaagzang over de prinses haar dood. Een Pavane is van oorsprong een langzame statige hofdans in een tweedelige maatsoort. Toen Ravel er in 1910 een orkeststuk van maakte, oogstte Pavane pour une infante défunte opnieuw lof. Ravel raakte soms zeer geïrriteerd over het succes van zijn stuk. ‘Ik heb ook nog wel andere dingen gecomponeerd!’, zou hij menigmaal uitgeroepen hebben. En toen het stuk eens te langzaam werd gespeeld, zou hij de dirigent hebben toegebeten: ‘Luister eens, ik heb een dans voor een dode prinses geschreven en geen dode dans voor een prinses!’  Ravels Pavane pour une infante défunte weet ons snel in de statige omgeving van het Spaanse hof mee te voeren. Prachtige meeslepende en melancholieke muziek

Ma Mère l’Oye van Maurice Ravel
Maurice Ravel componeerde in 1908 de pianosuite vierhandig Ma Mère l’Oye (Moeder de gans). Hij schreef het werk voor twee jonge kinderen van vrienden. Ravel had zelf geen kinderen, hij is nooit getrouwd geweest. Ravel zou in zijn componistenloopbaan wel meer sprookjesachtige werken componeren, zoals bijvoorbeeld L’enfant et les sortilèles (Het kind en de betoveringen). Ravel woonde in een sprookjesachtig huis met een rijke verzameling mechanisch speelgoed. In 1910 werd het pianowerk Ma Mère l’Oye voor het eerst opgevoerd in Parijs. Twee jaar later bewerkte Ravel het voor orkest. 

Het werk bestaat uit vijf sprookjesscènes

Ondanks de titel die de suite draagt, Ma mère l’Oye (Moeder de Gans), zijn de vijf in muziek omgetoverde sprookjes niet alle afkomstig uit de verzameling van Charles Perrault, maar duiken ook de Gebroeders Jakob und Wilhelm Grimm en Ludwig Bechstein (1801-1860) op, evenals Jeanne Marie Leprince de Beaumont (1711-1780).

1. Pavane van de schone slaapster in het bos

2. Klein Duimpje

3. Laideronette, keizerin van de Pagoden 
Laideronette is de figuur uit een sprookje van Marie Cathérine d’Aulnay (ca. 1650-1705), getiteld De groene slang. Laideronette, een voormalige prinses, is door een boze toverkol behekst en daardoor lelijk. In het bos ontmoet ze een slang, die haar troost met het verhaal dat ook hij zelf ooit een knappe verschijning was. Later wordt de betovering verbroken en treden beiden in het huwelijk.
In de muziek wordt uitgebeeld dat Laideronette een bad neemt en te kennen geeft dat er muziek moet worden gemaakt. Onmiddellijk beginnen de mannen en vrouwen van het dwergachtige Pagodenvolkje te zingen en op diverse instrumenten te spelen.

4. Dialogen tussen het mooie meisje en het beest
Het verhaal behelst een prins, die in een leijk beest is veranderd.

5. De betoverde tuin
Dit is een tweede fragmentuit Doornroosje, die nu door de schone prins uit haar langdurige slaap wordt gewekt.
____________